Het pure leven in de Dordogne…

Door Erik Voncken, journalist en ambassadeur van Bonjour Frankrijk

We hebben er een lange rit opzitten als we Lusignac binnenrijden. Grote steden als Angoulême en Perigueux liggen 45 minuten verderop. Een kerkje, een kasteel, een bakker, een salle des fêtes en een restaurant genaamd La Licorne; meer is hier niet, en tegelijkertijd is dat alles wat we deze dagen nodig hebben. Hoewel, daarmee hebben we nog geen dak boven ons hoofd…

We drinken een koffie bij ‘de eenhoorn’ en laten het dorp weer achter ons. Na een paar honderd meter slaan we af naar links. De weg leidt naar beneden. Links een weids uitzicht dat het midden houdt tussen Zuid-Limburg en Toscane; rechts oude herenboerderijen. Bij één daarvan worden we verwacht.

Als we onze auto hebben geparkeerd op een ommuurd terrein, horen we hondengeblaf. Twee kleine onderdeurtjes komen enthousiast op ons toegerend. We laden onze koffers uit en steken een grasveld over. Daar staat Cees Rooduijn. We schudden elkaar de hand. ‘Leuk autootje’, wijst hij naar onze gehuurde Peugeot. Hij leidt ons naar de achterzijde van een oude boerderij, smaakvol opgeknapt in klassieke steen. De veranda tegenover het in de avondzon badende, luxe zwembad oogt uitnodigend. Daar ontmoeten we Bertilla. ‘Ah, jullie zijn er! Ga lekker zitten. Wat willen jullie drinken?’ Heerlijk om zo welkom te worden geheten.

Tongbreker

Cees en Bertilla zijn gezelligheidsmensen. Onze gesprekken gaan meteen alle kanten op. Zo vinden we elkaar in de taalliefhebberij. Bertilla kijkt me met grote ogen aan als ik haar vol ingehouden trots mijn zelfbedachte tongbreker demonstreer: ‘Het zint mij geenszins dat een gezin enigszins eensgezind in een ééngezinswoning wonen kan.’ ‘Grandioos!’ roept ze uit. Eindelijk erkenning.

Als onze glazen voor de tweede keer leeg zijn, stelt Cees voor om ons de plek te laten zien waar we zullen overnachten. Achter de veranda leidt een stenen trap naar een balkon met schitterend uitzicht dat grenst aan een prachtig appartement. Via grote schuifdeuren komen we in een riante keuken. Op de keukentafel liggen een verrekijker en vogelaarsboek. De woonkamer heeft een landelijke stijl met veel wit en warme texturen. In de kast staan boeken en stripverhalen in meerdere talen. Het bed is riant, de muren zijn dik en beschermend. Hier zullen we heerlijk slapen.

Dit is het moment

Die avond eten we bij de Rooduijns in de keuken, naast een prachtige oude haard. ‘Dat doen we vaker voor onze gasten’, vertelt Bertilla. Als een gezelschap voor een week boekt, vraag ik vaak op welke avond ik voor hen zal koken. Bijvoorbeeld als ze terugkomen na een lange dag in de natuur.’

Cees en Bertilla wonen sinds vier jaar in Frankrijk. Hun leven daarvoor speelde zich af in Den Haag. Beiden hadden eigen bedrijven. Het sociale leven in de stad was jachtig. ‘We woonden in een mooie wijk. Als ik onze zoon van school haalde, verzamelden de moeders zich bij het schoolplein en vroegen ze me mee naar het strand. Leuk voor de kinderen en voor de moeders’, lacht ze. Ze vertelt erover zonder weemoed. Ze haalt een schaal uit de oven en zet hem op tafel: een geurige confit de canard.

In 2004 had Cees een financiële meevaller en besloten ze op zoek te gaan naar een huis in Frankrijk. Dat bleek af en toe een tenenkrommend proces, maar toen deze zeshonderd jaar oude notenboerderij voorbijkwam, waren ze meteen verliefd. ‘We zijn twaalf jaar met de renovatie bezig geweest  voordat het naar onze smaak was.’ Lang kwamen ze hier voor de vakanties. Tot op een dag de basisschooljuf van Julius hen wilde spreken. ‘Een geweldige lerares. Ik had echt geen idee wat er aan de hand was. Had Julius iets gedaan wat niet door de beugel kon? Tot ze over ons huis in Frankrijk begon. ‘Nu is het moment’, zei ze. ‘Julius is elf jaar en een slimme jongen. Nu is het ideale moment om naar Frankrijk te verhuizen.’ En dat hebben we meteen gedaan. Julius heeft het drie maanden pittig gehad, maar daarna heeft hij zijn draai hier helemaal gevonden.’

Sofies ogen beginnen kleiner te worden. Dat betekent dat we ons bed moeten opzoeken. En inderdaad, we slapen als rozen. Het is hier zó stil.

Madame l’Architecte

De volgende ochtend ligt er een prachtig strijklicht over de velden. De oogst is net gedaan. Als we een rondje lopen over het terrein wijs ik een haas aan. ‘Dat is geen haas, dat is een ree’, lacht Sofie.

We schuiven weer bij Bertilla en Cees aan. Het ontbijt combineert hier het beste van twee werelden. Ik zie Franse kazen, maar ook hagelslag. ‘Er is een Nederlandse handelaar die eens in de zoveel weken hiernaartoe komt rijden en vanuit zijn wagen Nederlandse waar verkoopt. Wij komen geen kroketten tekort!’ lacht Cees.

Maar dit is en blijft Frankrijk. ‘Een bijzonder volk’, legt Bertilla uit. ‘Tijdens de verbouwing noemden de bouwvakkers me Madame l’Architecte. Ze waren niet gewend dat een vrouw de bouw begeleidde en keken Cees stomverbaasd aan toen hij hen vertelde dat ze toch echt bij mij moesten zijn voor instructies.’

‘De burgemeester is een charmante vent’, zegt Cees. ‘Grote kerel, grote handen. Laatst had hij bij de dodenherdenking vergeten de minuut stilte in acht te nemen. Begon hij na het ‘Mort pour la France’ zomaar de Marseillaise te zingen.

Fluorescerende helmen

Op haar voorstel om een kleine rondleiding op hun terrein te geven gaan we graag in. Ze laat ons twee kleinere verblijven zien. ‘In de zomer verhuren we alle drie de onderkomens altijd aan één gezelschap. Ik wil niet dat de mensen last van elkaar hebben. In het voor- en naseizoen is dat anders.’

Overal komt Bertilla’s oog voor detail terug. De inrichting, die klassiek en modern combineert, is grotendeels van haar hand. Ze laat ook de warmtepomp zien die ze recentelijk lieten installeren. ‘En binnenkort komen er zonnepanelen. Duurzaamheid vind ik belangrijk.’ Terwijl we naar een vervallen deel van de boerderij lopen dat nog wacht op een opknapbeurt – wat heet: het enige wat hier nog overeind staat zijn de buitenmuren – vertelt ze verder over haar Haagse tijd: ‘Ik ben nogal een verantwoordelijk typ. Op een gegeven moment had ik vijf banen! Mijn vader waarschuwde me er al voor, maar op een gegeven moment liep ik tegen mijn eigen grenzen aan. Julius was acht en ik was op. Daar heb ik lering uit getrokken.’

Ze wijst de fruitbomen aan die ze net heeft laten aanplanten. We lopen naar de oostelijke muur van het verblijf. We zien uit over de vallei. In de verte klinkt hondengeblaf. We zien jagers met fluorescerende helmen, die moeten voorkomen dat andere jagers hen voor wild aanzien. ‘Weet je’, zegt Bertilla als we een tijdje zwijgend staan te kijken naar dit vredige tafereel, ‘wat ik echt graag zou willen, is hier die jonge moeders verwelkomen die het even moeilijk hebben. Die gezin en werk moeten combineren en vaak ook nog mantelzorger zijn voor hun ouders. Een badjasje voor ze klaarleggen, een wijntje bij de openhaard, ontbijt op bed, kortom die werkende moeders eens helemaal in de watten leggen. We hebben een masseuse die op afspraak langs komt en twee huizen verder zijn yoga lessen te volgen.’ We knikken.

Het pure leven

We staan alweer bijna op het punt te vertrekken. Voordat we afscheid nemen, drinken we samen koffie in de keuken. Bertilla vertelt waarom ze niet meer terug hoeft naar Nederland: ‘Ik heb hier mijn vuurtje, mijn hondjes, de moestuin en inmiddels een leuke vriendenkring. Het leven hier is zoveel rustiger. Je wordt niet meer gek gemaakt met de laatste trends. Hier ben je de mode voorbij. Dit is het pure leven.’

Wanneer we ons leuke autootje starten en even later door de velden naar het zuiden rijden, voelen we heel even wat Bertilla bedoelt. Je komt hier bijna niemand tegen. En terwijl het hier o zo mooi is. Of is dat nu juist de reden dat we het hier zo fijn vinden? Wat heerlijk dat we daar even van hebben kunnen proeven.

Laat een reactie achter