Tekst: Erik Voncken

Erik Voncken, journalist, francofiel en ambassadeur van Bonjour Frankrijk, reist naar de sprookjesachtige Dordogne. Hier bezoekt hij Villa Léovil, een chambres d’hôtes nog zo groen als gras. Een mooie ontmoeting met de eigenaren volgt…

“We hebben net een late lunch achter de kiezen in Limeuil, waar de Vézère uitmondt in de Dordogne. De nazomer legt een gouden gloed over het landschap terwijl we de rivieren achter ons laten en koers zetten naar Saint-Pompont, waar mijn geliefde Sofie en ik de nacht zullen doorbrengen in Villa Léovil, een chambres d’hôtes die nog zo groen is als gras.

Het is een uitje met een persoonlijk noot. Gerrit Jan – één van de uitbaters – en ik kennen elkaar uit het middelbaar onderwijs. Nauwelijks een jaar geleden zaten we elkaar in een Utrechts café onze vertrekverhalen te vertellen. Ik vertrok als docent Nederlands naar de communicatiewereld, Gerrit vertrok met zijn partner naar de Dordogne. Ze hadden net een schitterende voormalige burgemeesterswoning in Engelse stijl gekocht en waren van plan om in een half jaar tijd (!) het hele verblijf op de schop te nemen. Inmiddels zijn we een jaar verder en is Villa Léovil al een heel seizoen open geweest. Gasten zijn laaiend enthousiast.

Dat moet ik zien, zei ik tegen mijn vriendin. Dus boekten we een retourtje Rotterdam-Bergerac en rijden we nu een charmant dorpje binnen waarvan de okergele huizen met hun typische rode zadeldaken samendrommen rond de duizend jaar oude kerk en burcht.

Een chambres d’hôtes zo groen als gras

Op loopafstand van het dorp draaien we een oprijlaan op. We zien welig tierende bamboe, een zwembad. Aan het einde van de laan, vlak achter een monumentale tulpboom die de eerste tekenen van de herfst vertoont, troont een schitterend vrijstaand pand. We parkeren onze auto, beklimmen de trap naar het bordes met statige entrée en bellen aan. De deur gaat open.

‘Welkom!’

Tjitze laat ons vrolijk binnen.

‘Gerrit is er even niet. Hij heeft de andere gasten meegenomen voor een wijntour langs Monbazillac en Bergerac. Hij kan elk moment terugkomen.’

We leggen onze tassen neer en kunnen niet veel anders dan onze ogen uitkijken. In de klassieke entreehal is de grote houten trap naar de eerste verdieping de eyecatcher. We vergapen ons aan het hoge plafond met sierlijke reliëfs en consoles. Een grote boekenkast verraadt de belezenheid van de bewoners en hun enthousiasme voor de Franse cultuur. Maar ook reisboeken zijn er te vinden, en een grote collectie klassieke muziek. Vooral de twee meter aan Maria Callas-opnames trekt de aandacht. Van bovenop de kast kijkt een opgezette vos op ons neer. Boven de deur aan het eind van de gang zetelt een kerkuil. Van de kerkuil kijk ik naar Tjitze. Dit was een jaar geleden toch nog niet veel meer dan een opknappand?

Tjitze lacht. ‘Klopt. De eerste maand dat ik hier de verbouwing leidde – Gerrit was toen in Nederland bezig aan zijn laatste maanden voor de klas – hebben we nauwelijks iets klaargespeeld. De bouwvakkers kwamen te laat, deden niet wat ze moesten doen of konden simpelweg niet wat ik van ze vroeg. Toen ik het even niet meer zag zitten, zei Gerrit: ‘Jij komt uit het projectmanagement. Ga doen waar je goed in bent.’ En dat is de ommekeer geweest. Vanaf dat moment gooide ik de schroom van me af en ben ik een plan gaan maken waar de bouwvakkers zich aan moesten houden. Ik ben die eerste weken uitgescholden, genegeerd. Maar ik stond wel elke ochtend met koekjes klaar. En met een glimlach. Na drie maanden kwam één van hen naar me toe. Hij zei: ‘Tjitze, ik kom hier graag. We zien allemaal dat hier iets bijzonders aan het ontstaan is.’

Tijdloosheid, dat is het woord dat steeds bij me opkomt

Dat hier iets is ontstaan, is zeker. Hij neemt ons even mee naar een van hun privévertrekken: een stemmige leefkeuken met zithoek en ook hier weer een grote collectie boeken. ‘De eerste maanden heb ik de oude keuken hiernaast opnieuw opgebouwd, zodat ik zelf ook nog fatsoenlijk kon leven. Afgelopen januari is Gerrit gestopt met lesgeven en ook naar hier gekomen. In mei zijn we open gegaan. We hebben een geweldig eerste seizoen achter de rug.’

Tjitze neemt ons mee voor een rondleiding. Hij laat de tuin zien, met zijn fruitbomen en Boeddha-beelden, en de vier gastenverblijven, die stuk voor stuk prachtig zijn. Hier is oog voor schoonheid en aandacht voor detail. Overal kom je bijzondere items tegen om even aan te raken en op te pakken. Klassieke meubels gaan samen met moderne. Tijdloosheid, dat is het woord dat steeds bij me opkomt.

Terwijl we onze eigen kamer bewonderen, horen we beneden een deur. Een halve minuut later staat Gerrit voor onze neus. Hij geeft ons twee kussen, vooruit: toch drie, en steekt gepassioneerd van wal over de wijntour van vanmiddag. Ik ken hem niet anders. Ooit kwam hij de lerarenkamer binnen met een ingelijste Giuseppe Verdi. ‘Het is vandaag Verdi-dag’, riep hij enthousiast. Zijn leerlingen liepen met hem weg. En ik ook. Zijn bevlogenheid zie je terug in het huis. In de hal staat een buste van diezelfde Verdi – mét vlinderdas – en hangt een portret van Callas, zijn muze.

‘Gerrit, neem even een momentje voor jezelf’, waarschuwt Tjitze. ‘Nu kan je even rusten. Straks moet je weer de keuken in.’ Hier is inderdaad een (voormalig) manager aan het woord. ‘Vinden jullie het goed als we om 19.30 uur eten?’ wil hij nog weten. Dat vinden wij prima.

We maken het ons gemakkelijk op onze kamer. Sofie leest een boek, ik neem een douche. We vervolgen met een korte wandeling naar het dorpje met zijn verstilde Middeleeuwse straatjes en keren terug met rammelende magen. Ik weet toevallig dat Gerrit een uitmuntende kok is.

Uiensoep en verloren tijdsbesef…

Als we aanschuiven aan de tafel gedekt voor zes, zitten daar al twee tafelgasten. Eric en Klaas – broer van Tjitze – zijn beiden ondernemers in de zonne-energie. Een jaar geleden besloten ze iets samen te gaan doen. Dit weekend vieren ze hun eerste gezamenlijke successen. We worden getrakteerd op inzichten uit de energiesector en hilarische anekdotes.

Tot de eerste gang wordt geserveerd: een prachtige uiensoep met gratin. Gerrit komt erbij zitten. ‘Dat vind ik zo heerlijk aan ons nieuwe leven hier: ik kan gerust vier uur bezig zijn met deze soep. In Utrecht maakte ik ook uiensoep, maar dan in een half uur.’

Er volgen gesprekken over cultuuronderwijs en de rol van literatuur, een gemeenschappelijke liefde van Gerrit en mij. ‘Een wiskundedocent houdt het toch ook niet bij alleen maar optellen en vermenigvuldigen, omdat de rest te moeilijk is?’ Er wordt geknikt aan tafel. Opmerkelijk vaak komen onze gesprekken daarna uit bij het werk van Marcel Proust. ‘Zijn À la Recherche du temps perdu is als het onderhouden van een kathedraal. Als je er helemaal doorheen bent, kan je opnieuw beginnen’, lacht Gerrit.

Er volgen amuses. Het hoofdgerecht is rosbief, heerlijk mals. Maar het hoogtepunt moet dan nog komen. Als we enkele kaasjes op hebben, serveert Gerrit het zoete dessert: een parfait van appels met gekonfijte kersen en crème anglais. Een plaatje van een taart. Klaas en ik, die eigenlijk allebei op ons gewicht moeten letten, hebben hier geen verweer tegen. Het smaakt net zo lekker als dat het eruit ziet. Het is veel te laat als we eindelijk ons bed opzoeken, maar ons eerder excuseren was geen optie. Hier kan geen nachtrust tegenop.

De volgende ochtend hangt de mist nog tussen de heuvels. De zon doet vergeefse pogingen om haar stralen onze kamer in te krijgen. Hoe warm het overdag ook is, de herfst staat onmiskenbaar voor de deur.

Bij het ontbijt wordt pain perdue geserveerd – wentelteefjes. Ook die kunst beheerst Gerrit. Wat is het jammer dat we al om 12.00 uur op het vliegveld moeten zijn. We hebben nog zoveel te bespreken. Hun relatie met de dorpelingen bijvoorbeeld. ‘Die hebben groot respect dat we dit in een jaar tijd hebben neergezet’, vertelt Tjitze, ‘maar één van hen vertrouwde me al toe: “Vergeet niet dat jullie hier als een soort filmsterren worden beschouwd; twee Hollanders die zo’n groot huis kochten en niet meer hoeven te werken.” Al is het natuurlijk wel werken hoor, en hard ook’, lacht Tjitze.

Gerrit heeft vooral bewondering voor het slagersechtpaar. ‘Die werken pas hard! Die vrouw is bijna zeventig en is niet meer goed ter been van haar hele leven maar in die zaak staan. En alles maken ze ter plekke, hè. Ze vindt mij een fijne klant’, vertrouwt Gerrit ons toe, ‘omdat ik altijd alles netjes van tevoren bestel en niet op het laatste moment. Zo jammer dat ze gaan stoppen. Ze hebben geen opvolgers.’

Als we op vertrek staan, geeft Tjitze routetips naar het vliegveld – ‘Je kan beter binnendoor rijden via Monpazier en Villeréal’ – en legt hij nog wat appels uit de tuin voor ons op tafel. We nemen afscheid, deze keer op z’n Frans met twee kussen, en spreken het plan uit om snel weer terug te komen. En als we even later de geadviseerde dorpjes passeren, weten we dat we niet alleen voor de prachtige villa en zijn gastvrije gastheren hoeven terug te keren, maar ook voor de streek. De Dordogne is prachtig, ook in de herfst.

Laat een reactie achter